Ambient (zoals we de term en het genre kennen van Brian Eno) en de muziek van Miles Davis, hebben die twee dingen iets met elkaar te maken? Nou, er is een raakvlak. Volgens het uitstekende boek “Miles Beyond” van Paul Tingen, over de “electrische” muziek van Miles in de jaren 1967-1991, heeft Brian Eno eens deze opmerking gemaakt over He Loved Him Madly: “Teo Macero’s revolutionaire productie van dit stuk heeft precies het soort kosmische, ruimtelijke kwaliteit die ik aan het zoeken was”. He Loved Him Madly is een lang stuk, ruim 32 minuten, opgenomen in juni 1974. Het stuk is te vinden op de dubbel-LP Get up with it, en dat is een soort verzamel-plaat met opnamen die in de loop van de jaren 1970-1974 werden gemaakt.
Vijf jaar later startte Eno zijn “ambient”-reeks (al hoor je de eerste ambient-achtige klanken al in de eerste plaat die hij met gitarist Robert Fripp maakte, No pussyfooting uit 1973). De uitgangspunten van díe muziek zijn weliswaar heel anders dan het startpunt en de manier van werken van de Miles-opname uit 1974, maar iets van het karakter van die opname van Miles is wel in de muziek van Eno terechtgekomen.
He loved him madly is een eerbetoon aan Duke Ellington, die een maand eerder was overleden, op 24 mei 1974. Duke Ellington had de gewoonte om zijn publiek te begroeten met de woorden: Love you madly. Dat is één link. Maar er is er nog eentje. Volgens percussionist Mtume ontving Miles in het voorjaar van 1974 een kerstkaart van Duke Ellington, waarop dezelfde tekst was geschreven: Love You Madly. Mtume herinnert zich hoe Miles, tot tranen geroerd, de kaart liet zien: “Man, I just got a Christmas card from Duke. Isn’t that the hippest thing you can think of?” Miles was trouwens niet de enige die toen zo’n kaart ontving; Duke Ellington wist dat hij het niet zou halen tot kerstmis, en had aan al zijn vrienden zo’n kerstkaart gestuurd.
He Loved Him Madly is volgens Mtume volledig improviserend tot stand gekomen, vanuit het niets, vanuit een stemming, een sfeer, ingegeven door die ontroerende kerstkaart van Duke Ellington. En met in de Columbia Studio in New York behalve Miles Davis die trompet en orgel speelt, Dave Liebman op fluit, Dominique Gaumont op gitaar, Reggie Lucas op gitaar, Michael Henderson op de electrische bas, Al Foster op drums en Mtume op conga’s. Volgens Gaumont was er trouwens wel degelijk vooraf gerepeteerd, en had Miles een melodielijn bedacht die hij voorspeelde op de piano. De herinneringen van de musici over hoe deze opname op 19 of 20 juni 1974 in z’n werk ging lopen dus uiteen.
De eerste tien minuten van het stuk zijn pure sfeergeluiden. Daarna gaat Al Foster met de hihat een beat aangeven, dan komt er een altfluitsolo van Dave Liebman, gevolgd door een klaaglijke solo van Miles op de trompet met wah-wah. En natuurlijk: de overall-sound van de muziek is voor een belangrijk deel te danken aan de productie van Teo Macero, waar Brian Eno dus zo lovend over spreekt. Het ruimtelijke karakter van de opname heeft te maken met het gebruik van een galm-machine die Macero kort daarvoor had aangeschaft. De instellingen op het apparaat zijn echter altijd een raadsel gebleven – het ding deed niet wat ervan verwacht werd, maar het resultaat was prachtig. En daarna nooit meer geëvenaard. Schitterende muziek uit de donkerste periode in het leven van Miles Davis.
8 januari 2012 viert David Bowie zijn 65e verjaardag. Mooie dag om een Top 65 van Bowie-songs op te stellen? Goed te doen met Spotify (of met de platen uit je eigen kast natuurlijk). Aan die 65 titels kom je gemakkelijk, want de Engelse zanger heeft sinds zijn eerste hit Space Oddity uit 1969 een indrukwekkend repertoire opgebouwd. Terecht of ten onrechte wordt zijn werk uit de tweede helft van de jaren ’70 beschouwd als het meest vernieuwende uit dat rijke scala aan producties. Wat De Wissel betreft behoren de albums Heroes, Low en Station to Station in elk geval tot de top van zo’n Bowie-Top-65.
In het najaar van 1972 verscheen de LP On the corner van Miles Davis. Dit was een plaat waarin Miles Davis zo te horen schoon schip wilde maken met de manier waarop hij tot dan toe muziek had gemaakt. Een plaat die mijlenver verwijderd is van het begrip “jazz” zoals dat in die tijd gebruikelijk was, en die zelfs verder ging dan de LP Bitches Brew – waarmee Miles ook al niet meteen applaus oogstte bij publiek en critici. On the corner ging verder, veel verder. Geen plaat van Miles Davis heeft zoveel mensen gechoqueerd als deze. Het is nu bijna niet meer te bevatten wat men toen zo erg of afkeurenswaardig vond aan die muziek, maar de bonkige, rauwe funkritmes, het ongepolijste, raspende geluid, en ontbreken van keurige afgebakende solo’s, de afwezigheid van duidelijke thema’s of een opbouw die je kon herkennen als een zogenaamd echt jazz-stuk – dat werd toendertijd allemaal als zeer schofferend beschouwd. Pure arrogantie, noemde een criticus deze plaat van Miles Davis. En Stan Getz zei over de plaat: “Die muziek is waardeloos. Er is geen vorm, geen inhoud, en het swingt nauwelijks.”
De plaat werd beschouwd als allesbehalve jazz, als onbegrijpelijke, hermetische herrie, als waardeloze funk waar geen kop en staart aan zit. Een trompet die bijna uitsluitend via een wah-wah pedaal wordt bespeeld, hamerende ritmes, ostinato baspatronen die geen einde lijken te kennen, grillige synthesizergeluiden.
Muzikaal vuurwerk, dat kon je veertig jaar geleden wel overlaten aan Mahavishnu John McLaughlin, de Engelse gitarist die rond 1970 schijnbaar uit het niets was opgedoken bij de opnamen van de befaamde LP Bitches Brew van Miles Davis. Via het Bitches Brew-project had McLaughlin drummer Billy Cobham leren kennen, met wie hij, samen met basgitarist Rick Laird, toetsenist Jan Hammer en violist Jerry Goodman het Mahavishnu Orchestra oprichtte. Die naam Mahavishnu was afkomstig van de Indiase goeroe Sri Chinmoy, van wie McLaughlin een volgeling was; het woord betekent zoiets als “goddelijke compassie, kracht en gerechtigheid”. Je zou kunnen zeggen dat Het Mahavishnu Orchestra jazzrock speelde. Maar dat was wel een vorm van jazzrock die nauwelijks leek op de andere bekende voorbeelden van de crossover tussen jazz en rock in die tijd: Weather Report, Return To Forever, of de electrische experimenten van Miles Davis. Bij McLaughlin en zijn companen horen we lange solo’s waarbij virtuositeit een grote rol speelde; in de verte hoor je Indiase invloeden, en de basis van de stukken was zeker ná de eerste LP een steeds herhaalde cyclus van riffs en korte motieven. Vrijwel geen traditionele jazzthema’s of typische rock-akkoordenschema’s. Om nog maar te zwijgen van de krankzinnige maatsoorten die werden aangehouden, zoals in het titelnummer van de tweede LP, Birds of Fire, uit 1973. In hetzelfde jaar nog werd de live-LP Between Nothingness and Eternity uitbracht. Èn in datzelfde jaar 1973 viel de band uit elkaar. Dat voortijdig einde werd ingeluid door een interview met Jan Hammer en Jerry Goodman in het tijdschrift Crawdaddy, waarin McLaughlin moest lezen dat zijn compagnons het niet echt eens waren met zijn stijl van leidinggeven. De verschillen van inzicht waren te groot om nog te lijmen. Nog in hetzelfde jaar maakte McLaughlin een doorstart met violist Jean-Luc Ponty, Gayle Moran op toetsen, Ralphe Armstrong op bas en Narada Michael Walden op slagwerk. In deze samenstelling bleef de band twee jaar actief en in de jaren daarna, tot ver in de jaren ’80, bleef het kwakkelen wat betreft de samenstelling van het Mahavishnu Orchestra, dat tot pakweg 1987 met steeds wisselende leden bleef bestaan.
Opmerkelijk genoeg is er de laatste tijd weer een kleine opleving te zien in de belangstelling voor de potige muziek van John McLaughlin en het Mahavishnu Orchestra. Een band als The Mars Volta noemt het Mahavishnu Orchestra als invloed; de groep Massive Attack heeft meermaals stukjes van het Mahavishnu Orchestra gesampeld en gebruikt op hun eigen releases. Er is een boek gepubliceerd, geschreven door Walter Kolosky, over de geschiedenis van de band. En er zijn zeker vijf tribute-cd’s uitgebracht… Zoals de dubbel-cd Mahavishnu Re-Defined, waar je onder meer het Weense Radio Strijkkwartet op aantreft, dat een bewerking speelt van Meeting of the Spirits, een stuk van McLaughlin, afkomstig van de eerste LP uit 1971, The Inner Mounting Flame.
1. CD The Inner Mounting Flame (Columbia CK 65523)
John McLaughlin: Vital Transformation
The Mahavishnu Orchestra
6’16″
2. CD Birds of Fire (Columbia 468224-2)
John McLaughlin: Birds of Fire
Mahavishnu Orchestra
5’43″
3. CD Mahavishnu Re-Defined (ESC-Records ESC 03723-2)
John McLaughlin, arr. Klemens Bittman/Berne Mallinger: Meeting of the Spirits
Radio String Quartet Vienna
5’26″ (fragment)
4. CD The Inner Mounting Flame (Columbia CK 65523)
John McLaughlin: Meeting of the Spirits
The Mahavishnu Orchestra
6’52″ (fragment)
5. CD Between Nothingness & Eternity (Columbia CK 32766)
John McLaughlin: Sister Andrea
Mahavishnu Orchestra
8’45″ (fragment)
Zaterdag 24 december 2011. Kerstsfeer? De hemel opent zich, een heerschaar trompetterende en zingende engelen overdondert herders, en Maria overwoog hun woorden in haar hart. Robert Fripp heeft, solo, wel iets met de afgrondelijkheid van het hemelse.
Wil je de mix liever zonder het kerstverhaal horen? Kan ook:
Naar aanleiding van het overlijden van “De Grote Leider” Kim Jong-il is in de media opnieuw het nodige te lezen over het volstrekt gesloten, dictatoriaal geregeerde Noord-Korea. In De Wissel berichtten we ruim een jaar geleden over een bezoek van vier kunstenaars aan dat land, en over het miniscule sprankje hoop dat je mocht hebben, over de piepkleine barstjes in het verstikkende protocol waarin dat land gevangen gehouden wordt:
In het voorjaar van 2009 vertrokken drie rietblazers en een schrijver naar het 26e April Voorjaars Vriendschaps Kunsten Festival in Pyong Yang, Noord-Korea. Twee leden van het Delta Saxophone Quartet, Chris Caldwell en Pete Whyman, een Nederlandse saxofonist, Frank van der Kooij, en auteur Henk Weltevreden hadden via de Noordkoreaanse ambassadeur in Londen een toegangsbewijs weten te verkrijgen voor deelname aan dat festival, dat jaarlijks gevierd wordt ter gelegenheid van de verjaardag van de grote leider Kim Jong-il. Over het totalitaire regime in Noord-Korea is de laatste week veel te lezen geweest in diverse kranten, mede naar aanleiding van het verschijnen van een portret van Kim Jong-un, de derde zoon van de huidige dictator, en kennelijk zijn beoogd opvolger. Een propaganda-festival: nou en of, erkent Chris Caldwell. Het is een en al propaganda. Maar, benadrukt Henk Weltevreden: cultuur is telkenmale gebleken hèt wapen te zijn om de geest, de mensen uit een dictatorials onderdrukking los te wrikken. Het zijn de schrijvers, de musici, de kunstenaars, de acteurs die als eerste het verzet tegen een dictatuur belichamen, in wie de eerste kiem van vrijheidsbesef gevonden wordt.
Luister in deze Wissel naar de operette-achtige ervaringen, de tragiek van een tot in het absurde geregisseerd en gecontroleerd totalitair land, en de piepkleine barstjes die in het benauwend protocol ontstaan.
Drieëneenhalf jaar geleden berichtte De Wissel over het wonderlijke verschijnsel van de Waulking Song. Schotse liedjes die niets met werken, maar alles met wollen stof te maken hebben. Met tweed, om precies te zijn…. We halen het nog eens op.
Eerst heb je wol, van Schotse schapen. De wol wordt gesponnen en bewerkt tot je garens hebt. De garens worden geweven tot een dikke, stugge stof. Als dat gebeurt op een van de Schotse Hebriden is de kans groot dat je het hebt over tweed. Harris Tweed, om precies te zijn. De stugge stof moet versoepeld en verdicht worden, zodat je er nagenoeg waterdichte kleding van kan maken – je zit immers op de Hebriden. Vroeger ging dat zo: de stof werd flink nat gemaakt met urine, en daarna gingen de vrouwen van het dorp er met de blote voeten stevig op stampen. Of ze gingen rond een tafel zitten en mepten groepsgewijs de lange lappen stof net zolang op het hout tot de gewenste soeplesse en dichtheid was verkregen. Waulking, heette dat proces, lang geleden. Plof… plof… plof… een ritme dat langzaam begint, maar steeds sneller wordt. En waar de vrouwen hun eigen songs bij maakten en zongen. Waulking songs.
Komend voorjaar, vanaf april, gaat een ouwe grammofoonplaat herleven in de vorm van een theatrale live-show. Thick as a brick, het album uit 1972 van de Engelse folk-rock-groep Jethro Tull, wordt dan voor het eerst in 40 jaar integraal uitgevoerd door fluitist, zanger en Tull-frontman Ian Anderson. Niet dat Anderson de afgelopen 40 jaar heeft stilgezeten, bepaald niet. De band is al die jaren blijven optreden, en met behoorlijk veel succes. Luister nog eens naar de twee zogenaamde concept-albums Thick as a brick en A Passion Play, twee platen die elk slechts 1 nummer bevatten, zo lang als twee plaatkanten. Nog altijd springlevende, ijzersterke muziek. Nooit gehoord? Dan is het misschien een mooie ontdekking. Lang vergeten? Tijd om je geheugen op te frissen! Altijd op de draaitafel blijven liggen? Dat is nou ook weer overdreven. Wissel eens af met de mede door Anderson geïnspireerde Niels van Hoorn, bijvoorbeeld.
1970. Het jaar van het Holland Pop Festival in het Kralingse Bos in Rotterdam. The Pink Floyd galmde het ochtendgloren tegemoet met psychedelische klanken: lang uitgesponnen versies van Set the controls for the heart of the sun en A saucerful of secrets, nummers van de tweede lp uit 1968, uit de periode waarin de geestelijk vader van de band, Syd Barrett, net was vervangen door David Gilmour.
Barrett overleed een paar jaar geleden, op 7 juli 2006. Het verhaal is overbekend: Barrett die de weg kwijtraakte, die niet meer te handhaven was, die in een eigen wereld leefde, ontoegankelijk, onbereikbaar. Op een dag werd hij domweg niet meer opgehaald voor een concert. En later liep hij van Londen terug naar zijn ouderlijk huis, om zich de rest van zijn leven te wijden aan schilderen en tuinieren – al speelde hij nog een poosje met Jack Monck en Twink in het trio Stars.
‘Syd speelde zulke vreemde akkoorden en ritmes,’ aldus Rick Wright, toetsenist van Pink Floyd, ‘we moesten wel om hem heen spelen, geluid produceren om deze deviant een plek te gegeven. Zo ontstond onze sound.’
Beroemd voorbeeld van de sound die dat ook jaren later nog opleverde is het “piepje” waarmee Echoes begint, het plaatkantlange nummer van de lp Meddle. Een piano, versterkt via een Lesliebox. De zoektocht naar vreemde geluiden en psychedelische effecten kreeg vanaf 1968 steeds meer het karakter van een soort mystieke ruimtevaart. De vervormde gitaarsound van Barrett maakte plaats voor steeds mooiere klanken waar zoveel mogelijk galm aan werd toegevoegd.
Hoe lang konden Richard Wright, Roger Waters, Nick Mason en David Gilmour de bizarre, excentrieke creativiteit van Barrett vasthouden als inspirerend uitgangspunt van hun muziek? Wat mij betreft: tot het moment waarop Barret zèlf onderwerp werd van een album, de plaat Wish you were here, uit 1975. Als we More en Obscured by clouds, twee platen met filmmuziek uit 1969 en 1972 even buiten beschouwing laten, zijn alle platen van vóór die tijd staaltjes geluidskunst die de genre-aanduiding “popmuziek” verre ontstijgen. Misschien is Dark Side of the Moon al een stap voorbij de invloed van Barrett? De radiofonische experimenten op Ummagumma uit 1969, Meddle uit 1971 met het al genoemde Echoes, en Atom Heart Mother uit 1970, de befaamde hoes met de koe, met het fraai gepolijste koper – psychedelica van jewelste.
Kort na het overlijden van Barrett stelden Aad van Nieuwkerk en Frank de Munnik een terugblik samen, met als gasten Rutger Kroon en Emanuel Muris, die met hun theatergroep Monk een theaterstuk maakten over Barrett – Trying to find you, in 2006 te zien geweest in Purmerend, Alkmaar en Utrecht. Dit programma werd uitgezonden op Radio 1 in het programma Grensverkeer, op 23 augustus 2006. In die uitzending was ook een interview uit 1967 te horen met Syd Barret en de andere leden van Pink Floyd, oorspronkelijk van de Canadese radio; en een uitgebreid interview met Joe Boyd, de eerste producer van Pink Floyd en oprichter van de UFO ofwel Underground Freak Out Club in Londen. Die club, waar Pink Floyd vrij snel de huisband werd, kan gezien worden als een bakermat voor de geestverruimende muziek.
In het programma De Zaterdagavond van 30 juni 2007 sprak schrijver Henk Weltevreden met musici die in die tijd actief waren in Cambridge, waar veel ongebonden muziek tot leven kwam eind zestiger jaren. Pink Floyd, Henry Cow, Hugh Hopper, Robert Wyatt, Phil Miller en Geoff Leigh. Weltevreden vraagt zich af waarom Pink Floyd zo groot werd. Wat is de rol van het toeval binnen de creatie van kunst? Wat is het toch dat mensen zoals Barrett ineens verheft tot cultheld? ‘We are all here as a result of many accidents,’ zegt Hugh Hopper, toendertijd bassist van Soft Machine. En misschien gold dat wel in onvermoed sterke mate voor Barrett…
Een jaar of zeven, acht geleden ontmoetten ze elkaar, min of meer bij toeval: Niels van Hoorn (saxofonist, fluitist) en Richard van Kruysdijk (slagwerker, producer). De sound van Van Hoorn sprak de drum’n bass-georiënteerde Van Kruysdijk meteen aan; hij remixte een solostuk van Van Hoorn, en daarmee begon een geleidelijk proces van uitproberen en samenwerken. Strange Attractor. Een term uit de wiskunde waarmee onverwachte effecten van op elkaar inwerkende grootheden worden aangeduid.
Onlangs verscheen van Strange Attractor het derde album (al naar gelang hoe je vinyl, EP’s en re-issues telt): Anatomy of a tear. Een uitgebalanceerde mix van donkere triphop, electronika, en melodieën die in de verte beïnvloed zijn door de progrock uit de jaren ’60 en ’70 waarmee Niels van Hoorn opgroeide. En alles met een sound die het resultaat is van bijschaven, herzien, uitwerken, nog eens bijschaven, en doorwerken tot het “jezelf verrast” zoals Richard van Kruysdijk zei in het interview dat ik had met de twee pijlers onder Strange Attractor, waarin Marie-Claudine een vaste rol heeft als zangeres – en bij live optredens trouwens ook als percussioniste en toetseniste.
Bijzonder is ook de samenwerking die Strange Attractor weet te realiseren met iconen van de underground als Blaine Reininger (Tuxedomoon), David J (Bauhaus), Graham Lewis (Wire) en Jarboe (Swans). Daarnaast horen we ook bassist Jurriaan Dekker op drie tracks.
Niels van Hoorn speelde meer dan twee decennia in The Legendary Pinkdots, werkte met onder meer Lydia Lunch. Richard van Kruysdijk is lid van onder meer Sonar Lodge èn mede-oprichter en manager van platenlabel Music for Speakers.