Verkeerde beweging

Dondestan, Robert WyattIn Cantina, het lunchpauzeprogramma op Radio 6, vertelde schrijver Henk Weltevreden het verhaal van de val van Robert Wyatt, in 1973, de zanger, componist en slagwerker die bij die ongelukkige gebeurtenis ernstig verlamd raakte (maar niet uitgezongen!). Hieronder lees je het volledige verhaal zoals Henk dat heeft gepubliceerd in zijn bundel De stier van Algeciras.

Henk Weltevreden over Robert Wyatt

Ten noorden van de evenaar. Het was duidelijk ten noorden van de evenaar. Niet links of rechts van de Berlijnse muur. Het was in Maida Vale, of ergens daar in de buurt. Londen. 1972. Zoiets. Ik weet het niet precies meer. Een zondag, begin juni, laat in de avond. Ja, het was op een zondag, op de vierde of de vijfde verdieping van een Londense flat.

Niet de herinnering, maar mijn geest was troebel in die tijd. Maar één ding weet ik zeker, het was ten noorden van de evenaar.

‘Je moet wel heel erg dronken zijn geweest om zo relaxed te vallen,’ zei de dokter. ‘Dat was je redding.’ Robert lachte en keek opnieuw onder zijn dekens. We gluurden mee. Hij kneep erin, voor alle zekerheid. Robert was ontspannen en trots in Stoke Mandaville Hospitaal, vooral trots die middag. Zomer 1973. Dat was het. Zomer 1973.

Twee weekeinden terug was er een groot feest in Lady June’s flat in Maida Vale. Ze was jarig. Iedereen kwam. Robert, Alfie, Cyrille Ayers, Phil Miller, Kevin Ayers, Nick Mason en Daevid Allen. Alles was aanwezig. Drank, dope en pork-pie. Gilli sneed hompjes kaas.

Dit is hoe het ongeluk ging. In deze volgorde: wijn, whisky, Southern Comfort en toen het raam, die losse regenpijp. Vier of vijf hoog.

Wat ik nog goed weet is wat er gebeurde na het ongeluk. Waar ik problemen mee heb is wat er gebeurde voor het fatale moment. Dat ben ik kwijt. Jarenlang wilde ik niet terug naar die datum, naar dat moment. Vandaag ben ik er klaar voor.

Soms is een gebeurtenis de scherpe scheidslijn tussen het verleden en de rest van je leven. De gebeurtenis zelf doet er niet meer toe, maar des te meer hetgeen daarvoor gebeurde.

Er stonden veel concerten geplanned. Robert had een nieuwe band, nieuwe energie, een eigen toon. William Burroughs Soft Machine was Machine Molle in Frankrijk, Matching Mole voor Robert. Hij popelde. Een nieuw drumstel. Niemand was zo gemotiveerd als Robert in die tijd. Zijn ritmes vloeiend. Iedere slag was raak. Geen beweging te veel. Geen beweging verkeerd.

‘Waar is Robert?’ vroeg Alfie. Iedereen wist het. We zwegen. Cyrille had de deur van het zijkamertje op slot gedraaid. Gilli nam een hompje kaas en prikte een olijf vast. Nick Mason was al dronken in de lift. Hij belde niet aan maar bonkte op de deur. Hij wilde met niemand praten en ging in een hoekje zitten, vlak bij de pick-up. Coltrane. Hij draaide John Coltrane. A love supreme. Steeds opnieuw. Mineur-majeur akkoorden, ongebonden. Iedereen voelde het, wist het, John Coltrane was speciaal. Bij een bepaalde saxriff zette Nick Mason telkens de naald terug. Hij luisterde. Ik dacht alleen maar aan Atom Heart Mother. Alfie keek in de keuken. Ze zocht op de gang, in de slaapkamers. Robert was weg. Alfie klopte op de deur van het zijkamertje.

‘Yeh?’ Het was Cyrilles stem. ‘Hold on…’ Alfie vloekte en liet zich vallen op de bank naast Nick Mason. A love supreme. Toen moet het gebeurd zijn, op dat moment toen ze zich liet vallen naast Nick op de bank, moedeloos, kwaad. We hoorden Cyrille gillen in het zijkamertje.

‘Oh no… shit!’ Kevin en Daevid renden naar de gang, naar het kamertje. Het raam stond open. Ze keken naar beneden.

‘Damned,’ zei Kevin. Hij vloog naar de lift. Alles daarna ging zo snel, zo langzaam. Nick zat ineens in de keuken. Hij zweeg. Whisky.

‘Het was vier hoog,’ kermde Gilli, ‘vier hoog!’ Plotsklaps zei iedereen het. ‘Vier hoog, vijf hoog!’ Wat maakte het uit?

Ik probeerde te begrijpen waarom Robert langs de regenpijp naar beneden was gekropen. Bang voor Alfie. Schaamte om Cyrille. Hij moet een flink eind gevallen zijn. De regenpijp lag in zijn geheel naast hem in de tuin. Eén beweging teveel. De verkeerde beweging.

‘Verlamd, vanaf zijn heupen,’ fluisterde de dokter. We liepen even mee de gang in. Thee halen. Alfie bleef bij Robert, naast zijn bed.

‘Voor altijd?’ De dokter knikte. We wisten het.

Die ochtend hadden we white beans en bacon gegeten bij Lol Coxhill in Aylesbury. Hij draaide Coltrane, Africa Brass, met toast en marmite.

‘Yeh man,’ zei Robert. ‘See this one.’ We keken onder zijn dekens. Hij glunderde. Alfie lachte, haar ogen waren nog steeds rood, al weken.

‘Yeh man, thank God.’ Robert was trots, vooral trots die middag. Trots op een erectie, zijn erectie, klaar voor de toekomst, nu nog verscholen onder de national health dekens van het ziekenhuis.

Pip Pyle bracht me naar het station van Aylesbury.

‘Dan hoef je niet te lopen,’ zei hij. We keken elkaar aan, heel even, en hoorden opnieuw wat hij zojuist had gezegd. Dan hoef je niet te lopen. We zwegen. Dit was door humor heen, dit was in triest.

‘Thanks,’ zei ik. Pip rook naar patulie. Het was niet koud die dag. We reden links. Meer herinner ik me er niet van. Voorlopig niet.

Maar één ding weet ik zeker. Het was niet ten zuiden van de Berlijnse muur. Maar het was rechts of links van de evenaar. Zoiets. Links of rechts. Dat ben ik even vergeten.

© Henk Weltevreden
3 juni 1998

Geef een reactie

2 reacties